Documenten

Documenten betreffende de voorouders in de achttiende eeuw


Bundel ‘Huwelijkszangen’ voor Gerrit van Heyningen en Elisabeth de Clercq, 1711

In de achttiende eeuw was het, zeker in de kringen van welgestelde doopsgezinden, vrij gewoon dat brooddichters de opdracht kregen om in huwelijksdichten de jong gehuwden toe te zingen. De bundel voor het huwelijk van Elisabeth de Clercq (1690-1762) met Gerrit van Heyningen (1686-1749), gesloten op 19 juli 1711, is bewaard gebleven in de collecties van de Koninklijke Bibliotheek. Deze wordt ook besproken op de website van de KB, in de serie Thema’s, over gedrukte boeken tot 1800.

Twee andere bewaard gebleven bundels huwelijkszangen voor familieleden zijn door Google Books gedigitaliseerd:
– voor het huwelijk van Cornelia de Clercq (1687-1753) en Theodorus Fries, gesloten in 1709, klik hier.
– voor het huwelijk van Pieter de Clercq (1731-1807) en Maria Bruyn, gesloten in 1755, klik hier.

Ook voor het huwelijk van Pieter de Clercq (1661-1730) en Cornelia Block, op 16 september 1685, zal een dergelijke bundel zijn gemaakt. Deze bleef niet bewaard; wel is één van de bijdragen, door de vrouwelijke dichteres Katharina Lescaille (1649-1711), opgenomen in de 3-delige overzichtspublicatie van haar werk De Mengelpoëzy (Amsterdam 1731).

Brief van Pieter de Clercq (1661-1730) als regent van het doopsgezinde weeshuis, 1713
Stadsarchief Rotterdam, Archief Doopsgezinde gemeenten van Rotterdam, inv.nr. 23

Nadat eerder, in 1698 en 1708, Pieter voor twee periodes van vijf jaar was benoemd tot diaken van zijn doopsgezinde gemeente bij ’t Lam en de Toren, volgde in 1712 zijn verkiezing tot regent van het weeshuis van deze gemeente. Hij bekleedde deze functie tot 1716 en vervolgens nogmaals van 1719 tot 1723 en van 1726 tot zijn overlijden in 1730.

In het archief van de doopsgezinde gemeente van Rotterdam zijn drie brieven bewaard gebleven die Pieter stuurde in zijn hoedanigheid van regent van het weeshuis, geschreven op 17 februari 1713, 3 april 1714 en 6 maart 1715. De eerste brief luidt als volgt:

Messieurs en waerdige vrinde,
Hier ingeslooten sende een reekening over verschott van kleedinge, aen Elisabeth en Sara van Bergen in eenige tyt verstreckt, mitsgaders weegens 3 jaaren kostgeldt van de laestgenoemde, ons van uE competeerende, beloopende tesaemen een somma van fl. 324.10.- welcke reekening uE gelieve naer te sien, en by accoort bevinding het beloop ons te doen toekoemen, waerop ons sulle verlaesten. Blijve onderwyl naer vrindelycke groettenis.
De regenten van het doopsgesinde weesenhuijs alhier en uijt aller naam
Pieter de Clercq

Het Doopsgezinde Weeshuis was sinds 1677 gevestigd in een groot pand aan de Prinsengracht, ter hoogte van de huidige nummers 1011 tot 1017.

‘Gezicht van ’t Mennoniten-weeshuys, tot Amsterdam’, gezien richting de Reguliersgracht en het Amstelveld. Ingekleurde prent door vermoedelijk H.P. Schouten, uit de Atlas van P. Fouquet [1783]

De historicus Jan Wagenaar heeft in 1765 in zijn boekwerk Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeeringe een uitvoerige beschrijving van het weeshuis gegeven. Zo schrijft hij: “Op het einde der voorgaande eeuwe, werden veertig Jongens en twee en veertig Meisjes in dit Weeshuis onderhouden. Doch het getal derzelven is sedert allengskens afgenomen. In February des jaars 1741 waren er niet meer dan dertig kinderen, en tegenwoordig [in Augustus 1765], telt men er dertien Jongens, en drie en twintig Meisjes.”. Het gebouw (“een net vierkant gebouw van drie verdiepingen, behalve de zolder en vliering”) was in tweeën verdeeld, waarbij de jongens aan de oostzijde en de meisjes aan de westzijde waren geplaatst. Elke ‘soort’ had een eigen eetzaal; die van de jongens diende tevens als school. Daarachter was de “Regenten-Kamer, een net behangen Vertrek, welke op den tuin uitziet.”
Voor de gehele beschrijving van Wagenaar klik hier.

N.B. Ook in de generaties na Pieter waren telgen regent of regentes van het weeshuis:

Jacob de Clercq1753-1758, 1760-1765, 1766-….?
Stephanus de Clercq1788-1792, 1794-1798
Cornelia de Clercq, wed. Theodorus Fries1752-1753
Christina de Clercq, wed. David de Neufville1756-1762
Cornelia de Clercq, wed. Jan van Eeghen1767-1772, 1774-1779, 1782, 1784-1791
Cornelia de Clercq, wed. Abraham Fock1797-1801, 1804-1808
Maria Bosch, huisvr. van Stephanus de Clercq1799-1803
Isabella Stinstra, huisvr. van Pieter de Clercq jr.1811-….?
Rederijboek van het fluitschip De Juffrouw Christina, bijgehouden door David Leeuw, 1724-1730
Stadsarchief Amsterdam, Familiearchief Brants (toegang 88), inv.nr. 1052

Het reden (bezitten en exploiteren) van schepen kende diverse gevaren: verliezen op zee ten gevolge van oorlog, piraterij en weersomstandigheden. Om die risico’s te spreiden, kozen kooplieden er over het algemeen voor om een coöperatie aan te gaan, door partenrederij. Hierbij waren eigendom en exploitatie van een schip over meerdere personen verdeeld: elk bezat een ‘part’ van het vaartuig en had recht op een evenredig deel van de opbrengst.

David Leeuw (1682-1755), door Jan Maurits Quinkhard, 1729. Coll. Rijksmuseum.

Pieter de Clercq (1661-1730) bezat parten in diverse schepen, waaronder 1/8ste van het fluitschip De Juffrouw Christina. Van dit schip is een ‘rederijboek’ over de jaren 1724 tot 1734 bewaard gebleven tussen de papieren van David Leeuw (1682-1755), die de administratie voerde. Het bevindt zich in Familiearchief Brants, is gescand en online in te zien.

David Leeuw was koopman in stoffen en manufacturen en woonde sinds 1726 op Herengracht 110, acht deuren verwijderd van Pieter. Ook hij bezat 1/8ste part, evenals de andere reders: Christina de Flines, wed. Jacob Leeuw; Egbert Thesing; de gebroeders Gillis, Thomas en Johannes Teyler; Jacob Schols; Jacob Alewijn Ghijsen en Jacob Speciaal. Op vermoedelijk de laatste na waren zij allen doopsgezinde kooplieden. Jacob Speciaal (1677-1749) was koopman te Oostzaan en blijkens de personele quotisatie van 1742 de rijkste man in de Zaanlanden. Hij was er behalve koopman ook assuradeur, landeigenaar, schepen, lid van de vroedschap, burgemeester, weesmeester, kerkmeester en ambachtsbewaarder van de heerlijkheid Oostzanen en Oostzaandam.
Na het overlijden van Egbert Thesing in 1726 heeft Pieter de Clercq diens deel overgenomen, zodat hij (en na zijn overlijden in 1730 zijn weduwe) met 1/4de het grootste part van het schip bezat.

Model van een fluitschip

De Juffrouw Christina, een vrij grote driemaster van 450 ton, was gebouwd in Amsterdam in 1717. Zeven jaar later hadden de eigenaren, waaronder Pieter de Clercq, het schip tweedehands gekocht voor fl. 10.160, waarna nog eens fl. 3.600 was geïnvesteerd om het gereed te maken. De schipper en zijn meestal 14-koppige bemanning waren in betaalde dienst. In de jaren 1724-1734 heeft het schip 21 tochten gemaakt naar de Baltische zee, bijna alle naar Narva (Rusland). Op de heenreizen in ballast, op de terugreis altijd met in delen gezaagd hout als cargo. De Juffrouw Christina werd in 1734 verkocht, voor fl. 11.025, waaruit blijkt dat het schip goed was onderhouden. Zo waren in 1727 alle planken van de romp vervangen.
Voor de eigenaren was het schip een goede investering gebleken. Bij aankoop had ieder fl. 1.720 ingelegd, daarna waren nooit nieuwe stortingen nodig geweest. Integendeel, zes keer was dividend uitgekeerd, in totaal fl. 18.000 en na de liquidatie was nog eens fl. 16.420 te verdelen. Zodat de totale investering van fl. 13.760 gedurende de exploitatie van 128 maanden een winst van fl. 20.480 had opgeleverd; omgerekend een rendement van 13,3% per jaar!

Bij zijn overlijden in 1730 bezat Pieter parten in liefst 22 schepen. Het 1/4de part in de Juffrouw Christina werd in de hieronder besproken balans gewaardeerd op slechts 1.704 gulden, terwijl het bij de verkoop vier jaar later ruim 1.000 gulden meer zou opbrengen. Vier andere scheepsparten hadden aanzienlijk grotere getaxeerde waarden, met als hoogste: 6.500 gulden voor een onbekende part in het Le Serrurier, vernoemd naar één van Pieters handelspartners.

Balans van de nalatenschap van Pieter de Clercq (1661-1730), 1730
Stadsarchief Amsterdam, ONA 8921 (notaris H. de Wolff), akte 255

Dat Pieter de Clercq (1661-1730) zijn commerciële activiteiten (voornamelijk: groothandel, assurantie en het als ‘bankier’ uitlenen van grote bedragen tegen profijtelijke renten) met groot succes heeft ondernomen, blijkt uit de balans die na zijn overlijden werd opgemaakt uit zijn grootboeken. Deze balans, op 24 juni 1730 opgetekend in een notariële akte, laat aan debetzijde zijn bezittingen zien, ter waarde van liefst ruim 1,8 miljoen gulden. Daar stonden nog weer schulden tegenover, maar het ‘kapitaal’ (eigen vermogen) bedroeg toch een kleine 1,4 miljoen, wat toen gold als een enorm vermogen en Pieter tot een van de rijkste burgers van de Republiek maakte.

Deze akte is één van de talloze gedigitaliseerde notariële akten van het Amsterdamse Stadsarchief en kan daardoor online worden ingezien.

Het ‘Geslagt register’ van de familie, begonnen door Pieter de Clercq (1700-1757), kort na 1730

Na het overlijden van Pieter de Clercq (1661-1730) is diens gelijknamige zoon begonnen in een register alle nakomelingen te noteren van zijn ouders, zowel in mannelijke als in vrouwelijke lijn. Door volgende generaties is dit voortgezet.

Notariële akte bezegeld door Laurens de Clercq met zijn monogram, 1735
Stadsarchief Amsterdam, ONA 8933 (notaris H. de Wolff), akte 463

Op 13 sept. 1735 passeerde Laurens de Clercq (1704-1740) een notariële akte van procuratie, voor een Nederlandse maar in Londen wonende koopman, inzake het beheer van zijn Engelse waardepapieren. Anders dan zijn vader en broers – die sinds kort een cachet met het familiewapen gebruikten – zegelde hij hierbij met een sierlijk monogram: zijn initalen LDC, in spiegelbeeld verdubbeld.

Eigendomspapieren betreffende Prinsengracht 197
Stadsarchief Amsterdam, Collectie Grondpapieren, inv.nr. 365

Voor het bedrag van 6.250 gulden kocht Pieter de Clercq (1700-1757) in 1752 het pand Prinsengracht 197, een kleine vijf minuten lopen van zijn woonhuis aan de Herengracht, nr. 94. Dit pand liet hij verbouwen tot koetshuis en stallen voor tien paarden, met een overwelfde kelder eronder en erboven drie pakzolders voor en een koetswoning achter. Hierover zijn we ingelicht, dankzij de eigendomspapieren die zijn terecht gekomen in het Stadsarchief Amsterdam. Deze bevatten o.a. het ontwerp voor de verbouwing, met uitgebreide toelichting. Het gebouw, zo’n 6 meter breed, kreeg een wagenhuis van 22 meter diep en een daarachter gelegen stal van bijna 15 meter, met ertussen nog een binnenplaatsje, waarop een waterput met pomp.

Een tweede document heeft betrekking op een verzoek dat Pieter heeft gedaan aan de thesaurieren ordinaris, die voor de stadsbestuurders zorg droegen voor de stedelijke financiën en eigendommen en de uitvoering van de openbare werken. Pieters verzoek was om aan de waterkant van de gracht vier of vijf palen te mogen plaatsen “tot stuijtinge der rijtuijgen uijt de voorschreeve stal of koetshuijs komende”. Koetsen waren niet in de laatste plaats statussymbolen. Het viel in de steden echter niet mee om er, bespannen met paarden, mee te manoeuvreren.

Pieter, die overigens slechts drie jaar na de verbouwing overleed, gaf het pand met het koetshuis en de stallen de naam De Wagenschuur. Wat hierin stond, weten we dankzij de boedelinventaris die in april 1766 werd opgemaakt na het overlijden van Pieters weduwe Sara van Leuvenig. Haar koetsier Christoffel Holweldel gaf op dat er vier paarden waren, genaamd Moor, Pop, Lijs en Boer. Aan vervoersmiddelen was een heel arsenaal aanwezig: “De beste koets” (fl. 850), “Een allemande” (fl. 600), “Een kapwagen” (fl. 380), “Een arresleede met zijn tuygen” (fl. 230), “De fargon met voetenkleed” (fl. 160), “Een toesleede” (fl. 180), “Een chais, met zijn kussen en lange boom” (fl. 70), en “Een koekslede met leuningen” (fl. 10).

Paas- en kerstbrief van Stephanus de Clercq (1747-1820) voor zijn broer en zuster, 1754 en z.j.

Vooral in de 18e eeuw was het een gebruik dat kinderen rond feestdagen als Pasen, Pinksteren en Kerstmis een heilwens schreven. Dergelijke gedichten, om dankbaarheid te tonen, waren ook bedoeld om hun schrijfkunst mee te tonen, waarvoor zij met wat geld werden beloond. Deze wensen werden geschreven op voorgedrukte, vaak fraai geïllustreerde vellen papier.
Op een veiling in 2021 werden twee van dergelijke brieven gekocht, keurig ingelijst, die zijn gemaakt door Stephanus de Clercq (1747-1820). Of althans één van de twee, want hoewel onder beide zijn naam staat, is de oudste uit 1754. Het zwierige handschrift is te geoefend voor een 7-jarige en lijkt bovendien niet op het het handschrift dat we kennen van latere documenten van Stephanus. Het vermoeden is dat dit is geschreven door zijn vader Pieter de Clercq (1700-1757).
In de tweede, ongedateerde Kerstbrief is wel de – dan nog zeer jonge – hand van Stephanus te herkennen.

Receptenboekjes voor het verkrijgen en mengen van kleuren, van Pieter de Clercq Jaczn (1748-1802) als katoendrukker, ca 1775-1800
Stadsarchief Amsterdam, Archief familie De Clercq (toegang 255), inv. nr. 1341

Anders dan de meeste familieleden vóór hem, besloot Pieter de Clercq Jaczn (1748-1802) geen koopman te worden, maar de grote katoendrukkerij over te nemen van zijn schoonfamilie Stockelaar. In ons familiearchief bevinden zich twee receptenboekjes, waarin hij als katoendrukker diverse recepten heeft opgeschreven voor het verkrijgen en mengen van kleuren. Deze twee schriftjes zijn gescand en kunnen daardoor online worden ingezien.

Muziekboekje van de 12-jarige Gijsbert de Clercq (1778-1851) uit 1790

Stadsarchief Amsterdam, Archief familie De Clercq (toegang 255), inv. nr. 70

In het gezin van Pieter de Clercq Jaczn (1748-1802) nam muziek een belangrijke plaats in. Pieter zelf speelde viool; hij bezat een waarschijnlijk kostbaar instrument, gebouwd in Cremona, de beroemde vioolbouwersstad. Bovendien speelde Pieter als directeur van de afdeling Muziek van de Maatschappij Felix Meritis een bestuurlijke rol in het Amsterdamse muziekleven van zijn tijd. Vanzelfsprekend dus, dat zijn kinderen gedegen muziekles kregen, waarvan dit boekje van de 12-jarige zoon Gijsbert getuigt.

Het hele muziekboekje is gescand en online in te zien.

Aanspraak van Pieter de Clercq junior als president van de Amsterdamse raad, 1797
Stadsarchief Amsterdam, Archief familie De Clercq (toegang 255), inv. nr. 38

Lang was het doopsgezinden niet toegestaan (hogere) politiek-bestuurlijke ambten te bekleden. Dit veranderde met de ‘fluwelen revolutie’ van januari 1795, waarin naar voorbeeld van de Franse Revolutie het ancien régime aan de kant werd geschoven en er een nieuwe bestuurlijke elite aantrad. Een van de doopsgezinden die daarmee op het pluche kwam was Pieter de Clercq junior (1757-1805); vanaf april 1796 was hij lid van de Amsterdamse raad.
Het presidentschap van de raad rouleerde; Pieter bekleedde die eervolle positie voor het eerst op 29 maart 1797. Hiervoor achtte hij zich “in veelen opzigte onbevoegd”, blijkens de bewaard notitie, in zijn eigen handschrift, van de aanspraak die Pieter hield bij de aanvaarding van deze functie. Doch waren de “grootste dier zwarigheeden opgeligt”, zo zei hij, doordat was toegestaan dat twee mederaadsleden voor hem “zulke voorkomende verrigtingen voor [hem] waar mogen neemen, als zoude strijden met mijn bekende Godsdienstige beginselen.” Deze regeling zal ermee verband houden dat de president van de raad ook de eindverantwoordelijkheid droeg voor de openbare orde en – zo nodig – acties moest aansturen om die te handhaven, zo nodig met geweld. Dit strookte niet met het doperse beginsel van weerloosheid.

Vervolg: 1800-1900

Terug naar boven